Archief voor juni 2008

Geen woorden maar daden

30 juni 2008

“Moet jij me eens vertellen, hoe ik aan leukemie kom.”
Met grote ogen kijkt ze mijn man aan, bozig. We zijn bij Nel op bezoek in het Daniël den Hoedziekenhuis. Mijn man is arts maar hij weet het ook niet. Nel is drie dagen geleden opgenomen. Maanden lang een stevige longontsteking die maar niet overging. Leukemie dus.

Het is niet de eerste keer dat Nel in ‘de Daniël’ ligt. Vijf jaar eerder begon het al: een knobbeltje in de borst.
“Stuur me maar naar de Daniël, dan zit ik meteen op de goede plaats als het foute boel is”, had ze tegen de huisarts gezegd. Praktisch als altijd.

En het was foute boel. Borstbesparende operatie of amputatie van de borst? De keuze was voor haar niet moeilijk.
“Ik zei tegen die dokter: ‘Snij de hele handel er maar uit, ben vijfenzestig en de kerels kijken toch niet meer naar mij’. “
We liepen door de gangen van het ziekenhuis op weg naar het balkon waar gerookt mocht worden. Een drainzakje bungelde aan haar arm.
“Hè hè even een saffie.” Ze haalde haar schouders op toen ik vroeg of dat wel verstandig was.
“Ik kan toch niet stoppen en borstkanker heeft niets met roken te maken, toch?”
Hoestend maar genietend blies ze de rook uit. Ze vertelde dat ze het weekend even naar huis was geweest. Even naar de poezen. Mocht van de dokter. Ze had geen koorts, de wond heelde goed. Het vocht was nog niet helemaal weg uit de wond en de drain moest er in blijven. Na het weekend weer terugkomen.
“Wie heeft je dan gehaald en gebracht?” vroeg ik.
Niemand. Ze was op de bus gestapt, naar de metro en met de metro naar huis. Drain in de zak van haar regenjas. En zo ook weer terug.
“Ja, wat moest ik dan? Wachten tot iemand me kwam halen? “
Vragen, daar begon ze niet aan, altijd weer praten, uitleggen. Niet praten maar doen.
Een week later was ze weer thuis. Wilde geen prothese. Alleen maar voor-de-gek-houderij. Maar een speciale bh met opvulling was een oplossing. Nieuw truitje erover en met Jannie naar Frans Bauer in de Ahoy.
“Mij krijgen ze niet klein”.

Maar nu hebben ze haar toch klein gekregen.
“Ik ga niet aan de chemo. Ik heb het aan mijn zus gezien. Maanden ziek en kotsen en uiteindelijk ga je toch de pijp uit. Dan ga ik liever meteen dood.”
En dat doet ze. Twee dagen later.
Geen woorden maar daden.

Sushi

25 juni 2008

Wat is hier aan de hand? Een slechte recensie op iens.nl? Dreigende sluiting door de keuringsdienst van waren? Tros Radar die hoogst persoonlijk zijn azijn over het eten heeft gepist? In het hele restaurant zijn twee tafels bezet. Wij kiezen een derde, knus bij het raam.

Normaal is het hier overvol en moet je dagen van te voren reserveren. Niet omdat het eten zo goed is. Niet omdat het zo’n trendy plek is. Nee, het is de formule. Sushi zoveel je op kunt. De volmaakte combinatie van japanse kookkunst en hollandse zuinigheid.

We genieten vanavond enorm. De bediening is sneller dan ooit. Het eten staat op tafel voor je sushi hebt kunnen zeggen. En één van de koks besteedt zijn volledige aandacht exclusief aan onze sushi. Dit willen we iedere dag wel.

Helaas verliest oranje vanavond de wedstrijd. Vlaggetjes worden weggehaald, breedbeeldtelevisies worden opgeborgen, claxons worden gedoneerd aan voorbijkomende Turken. Vanaf nu hebben ook voetballiefhebbers weer tijd voor sushi. Morgen staan we hier gewoon in de rij. En zo is het ook voor wie niet van voetbal houdt een teleurstellende uitslag.

Huisdieren

24 juni 2008

Het enige wat we konden ontdekken was een gaatje linksonder. Verder was er niets aan het pak macaroni te zien. Ja, het was leeg en gistermiddag was het nog vol. En we hadden geen macaroni gegeten de afgelopen 24 uur. We vermoedden dat Simon, onze vieze huisgenoot, er iets mee te maken had. Een rotgeintje. Of wraak omdat we weer een doos afwas voor zijn deur hadden gezet. Zijn vuile afwas. ’s Ochtends stapte hij moeiteloos over die doos heen. Had hem niet eens gezien. Hij nam fluitend afscheid van ons en vertrok. Een veldtocht van drie weken.

Dan maar zilvervliesrijst. Dat duurde wel een uur, dus wat later eten. Ik sneed de prei, raspte kaas. Met mijn billen leunde ik ontspannen tegen de wasmachine die een voetlengte van het gasfornuis stond. Zo nu en dan keek ik in de pan. De rijstkorrels leken visjes die naar adem hapten in het troebele water. Ik hoorde wat ritselen achter me. Mijn hart begon meteen hard te bonken. Zou dat een muis zijn? Moest wel een grote zijn, want de muizenval was al tienmaal dichtgeklapt de afgelopen weken. De kaas was er dan uit verdwenen zonder een dodelijk slachtoffer. Ik keek over mijn linkerschouder en zag een enorm grote bruine staart.

Iedereen weet: vissers overdrijven – hun vis is altijd zooo groot. Ik ben geen visser.

Ik holde naar boven. De enige man in huis was Rogier. Rogier waste keurig af. Rogier zag alles. Rogier ging niet op veldtochten. En natuur, dat was meer iets voor Simon.

Wat te doen? Het was half zes. De dierenwinkel waar we boven woonden was nog open. De eigenaar, onze huisbaas, was er misschien. Anders die aardige winkelhulp, Wouter. Wie ging er? Rogier dan maar. Twee vallen: een voor iedere kant van de wasmachine. Linksom of rechtsom: die rat ging eraan. Rogier duwde met een bezemsteel de vallen op hun plek. Buiten adem kwam hij weer boven. We wachtten.

Bijten op de lip. Wippen met de voet.
Iemand zei: “Het wachten is nu op de …”
Klap! Rogier werd lijkbleek. Wat nu? Vijf voor zes. De winkel was nog open. Rogier bood aan Wouter te halen. Hij stond op. Toen: een tweede klap. Opeens zo’n gekke vraag in mijn hoofd: zijn er meer ratten dan vallen?

Wouter gaf ons lachend een nieuwe val: watjes, die studenten. Ook de derde val ging met rat en al de vuilnisbak in.

Huisdieren – niets dan rattigheid.

De boterham

23 juni 2008

Was Sjaantje mijn vriendin? We woonden niet in dezelfde straat en buiten de schooluren zagen we elkaar zelden, maar op weg van en naar school en op het schoolplein waren we onafscheidelijk. Elke eerste dag van een nieuw schooljaar gingen we hoopvol en als vanzelfsprekend naast elkaar zitten. Langer dan drie dagen heeft deze gelukzalige toestand nooit geduurd; door ons geklets en gegiechel belandde elk jaar weer de een voorin en de ander achterin de klas.

We lazen veel en bespraken de boeken onderweg: “Alleen op de wereld,” ”Kruimeltje,” “De Negerhut” en gedurende een bepaalde periode een serie over de Boerenoorlog van L. Penning. Zijn “Held van Spionkop,” ”Verkenners van Christiaan de Wet” en hun nobele (vonden we toen) medestrijders plaatsten ons voor een dilemma. Waren Pennings laffe Rooineks niet de voorlopers en landgenoten van de door ons zo vurig verbeide Tommy’s? Als de gewetensvolle meisjes die we waren probeerden we het een met het ander te rijmen. Tenslotte besloten we dat de ene tijd de andere niet was. Voor mijzelf kwam daar nog bij dat mijn grootmoeder van moeders kant Krüger heette, zoals oom Paul. Om trots op te zijn, vond ik toen. De ene tijd is inderdaad de andere niet!

Toch won Sjaantje het van me waar het interessante familieleden betrof: haar ouders waren lid van de toneelvereniging “Morgenrood”en haar ongetrouwde tante was verpleegster. Bovendien mocht ze elke zomervakantie logeren bij ene tante Nita die in De Bilt woonde, geen kinderen had en, volgens Sjaantje, rijk was. Deze tante Nita had een vriendin die, echt waar! als meisje eens gekampeerd had met een zekere Loukie van Buuren, die niemand anders bleek te zijn dan … Prinses Juliana! Ja, daar kon geen Krüger tegenop!

Ach, later maakten we ons niet druk meer om zoiets futiels. Honger, eten, het einde van de oorlog, daar draaide ons leven toen om. Op school werden alle kinderen gewogen en gemeten: de ergst ondervoeden zouden bijvoeding krijgen. Sjaantje en ik, allebei graatmager, behoorden tot de “gelukkigen”.

Elke schooldag, driemaal in de week was dat toen, liepen we in een rij naar het Concordia-zaaltje waar de boterhammen uitgedeeld werden. Ik bofte extra: de dubbele boterhammen met jam werden in vaste, alfabetische volgorde uitgedeeld en meestal trof ik het kapje. Kapjes waren dikker dan gewone boterhammen en bovendien, vertelden we elkaar, was daar het vet ingetrokken. En vet, dat wist iedereen, daar kon een mens niet buiten!
Hoewel de boterhammen steeds kleiner en kleffer werden, met jam die steeds minder leek op wat we ons van vroeger herinnerden, betekenden ze steeds meer voor ons. Tenslotte waren ze zelfs, op de gaarkeukenprak na, het enige voedsel dat we binnenkregen.

In april werd ik ziek. Het ergste daarvan was dat ik mijn boterham dreigde mis te lopen. Toen Sjaantje me voor school kwam halen beloofde ze mijn moeder, dat ze na schooltijd mijn boterham zou aanreiken … als ze hem meekreeg tenminste

Van kwart voor negen tot kwart over twaalf lag ik met rammelende maag en koortsig gloeiend hoofd de tienduizendachthonderd seconden te tellen totdat ik de boterham in mijn handen zou krijgen. Helaas telde ik te vlug, na de laatste tel bleek het pas kwart voor twaalf te zijn. Intussen werkte mijn fantasie op volle toeren: misschien vertrouwden ze Sjaantje niet en kreeg ze de boterham niet mee! Waarom had Moe geen briefje meegegeven? Of misschien viel ze ermee in een plas, het goot! Misschien zou iemand de boterham van haar afpakken of misschien zou ze hem zelf opeten en me dan levenslang ontwijken! Of, en dat was het waarschijnlijkst: misschien zou ze mijn dikke korst zelf opeten en haar miezerige gewone boterham bij mij brengen. En bewijs dat maar! Nooit zou ik daar iets van kunnen zeggen, maar met de vriendschap was het dan natuurlijk wel uit. Zoiets gemeens!
Toen er eindelijk gebeld werd, gloeide ik over mijn hele lichaam. Na een eeuwigheid bracht mijn moeder de boterham binnen: een dikke korst!

Wat ik nu volstrekt onbegrijpelijk vind is, dat ik er na mijn herstel nooit meer met Sjaantje over gesproken heb. Ik heb haar zelfs niet bedankt! De verleiding om de boterhammen om te ruilen moet heel groot geweest zijn. Ze was even hongerig als ik. Pas achteraf maakte het voorval grote indruk op me.

Later groeiden we uit elkaar. Zij mocht naar de MULO, ik moest naar de Huishoudschool., zij kreeg een kantoorbaan, ik sleepte de jaren tot aan mijn eenentwintigste verjaardag door op een confectie-atelier. Daarna vertrok, nee, vluchtte ik naar Den Haag.

Later, ik was toen al getrouwd en woonde in Hoogvliet, hebben we elkaar nog een keer gezien, maar de oude Sjaantje en Lientje hebben we niet meer terug kunnen vinden. Zij herinnerde zich niets meer van de boterham en begreep niet waarvoor ik haar zo ontroerd bedankte. Bij mij is die compacte, kleffe korst met de twijfelachtige jam echter onverbrekelijk verbonden met de naam Sjaantje Naber.

Nog steeds, na al die jaren, eet ik alle kapjes op die mijn huisgenoten laten liggen. Niet om het vet, maar als hommage aan Sjaantje!

21 juni 2008

22 juni 2008

Het is stil in de tuin. Geen blad verroert zich, de wind is gaan liggen. Geen geluiden van de straat, geen auto’s, geen brommers zelfs geen voetstappen. Het is roerloos stil. Nederland houdt zijn adem in.

Kwart voor negen. Door de open ramen hoor ik wat gejoel, af en toe vals getoeter, maar het klinkt niet overtuigend. Verder blijft het stil, hier en daar een wanhopige kreet die verstikt ophoudt. Angstige stilte. Ik loop zachtjes het huis uit, de zwijgende straat op. Mijn hond, de oren in de nek, kijkt argwanend om; hij mist de normale geluiden. Er klopt iets niet.

En dan opeens breekt een pandemonium los: gegil, gejuich, spreekkoren scanderen nationalistische teksten. De huizen barsten uit hun voegen van opluchting. Opgewonden springt mijn hond tegen me op. Deze geluiden heeft hij vaker gehoord maar al gauw sluipt hij weer onzeker achter mij aan. De opwinding is verdwenen.

Half elf. De straat is al weer gehuld in stilte en het blijft stil, een verslagen stilte, de hele nacht.

Paardenporno

21 juni 2008

Een paard pijpen is binnenkort strafbaar. Duizenden slachtvarkens per dag onverdoofd castreren is dat niet. Ik zou liever dat paard zijn dan zo’n varken. Maar de wetgever heeft dat anders bepaald.

Dierenseks, ik moet er ook niet aan denken. Maar zou zo’n paard er echt schade van ondervinden? Er zijn genoeg mensen die walgen bij het idee van homoseks of sado-masochisme. Moeten we dat dan ook verbieden? Straks bepaalt de wet dat je alleen nog maar recht op en neer mag. Uw seksleven is goedgekeurd door de ChristenUnie. Zoiets.

Kijk, het wordt natuurlijk wat anders als je hem in een kolibrie stopt. Of als je iemand dwingt om het met een dier te doen. Maar dan heet het nog altijd dierenmishandeling of verkrachting. En dat is volgens de huidige wetgeving al strafbaar.

De boer mag trouwens nog wel zijn stier aftrekken. Dat is namelijk nodig voor de voedselproduktie. En voor de voedselproduktie wijkt ieder principe. Dierenmishandeling is strafbaar, tenzij je het dier daarna opeet. Onmenselijke omstandigheden, opgestapelde transporten, martelgangen bij de slacht, voor een goedkoop stukje vlees is alles geoorloofd. Het wachten is op iemand die aantoont dat gepijpte paarden lekkerder smaken dan ongepijpte paarden.