Was Sjaantje mijn vriendin? We woonden niet in dezelfde straat en buiten de schooluren zagen we elkaar zelden, maar op weg van en naar school en op het schoolplein waren we onafscheidelijk. Elke eerste dag van een nieuw schooljaar gingen we hoopvol en als vanzelfsprekend naast elkaar zitten. Langer dan drie dagen heeft deze gelukzalige toestand nooit geduurd; door ons geklets en gegiechel belandde elk jaar weer de een voorin en de ander achterin de klas.
We lazen veel en bespraken de boeken onderweg: “Alleen op de wereld,” ”Kruimeltje,” “De Negerhut” en gedurende een bepaalde periode een serie over de Boerenoorlog van L. Penning. Zijn “Held van Spionkop,” ”Verkenners van Christiaan de Wet” en hun nobele (vonden we toen) medestrijders plaatsten ons voor een dilemma. Waren Pennings laffe Rooineks niet de voorlopers en landgenoten van de door ons zo vurig verbeide Tommy’s? Als de gewetensvolle meisjes die we waren probeerden we het een met het ander te rijmen. Tenslotte besloten we dat de ene tijd de andere niet was. Voor mijzelf kwam daar nog bij dat mijn grootmoeder van moeders kant Krüger heette, zoals oom Paul. Om trots op te zijn, vond ik toen. De ene tijd is inderdaad de andere niet!
Toch won Sjaantje het van me waar het interessante familieleden betrof: haar ouders waren lid van de toneelvereniging “Morgenrood”en haar ongetrouwde tante was verpleegster. Bovendien mocht ze elke zomervakantie logeren bij ene tante Nita die in De Bilt woonde, geen kinderen had en, volgens Sjaantje, rijk was. Deze tante Nita had een vriendin die, echt waar! als meisje eens gekampeerd had met een zekere Loukie van Buuren, die niemand anders bleek te zijn dan … Prinses Juliana! Ja, daar kon geen Krüger tegenop!
Ach, later maakten we ons niet druk meer om zoiets futiels. Honger, eten, het einde van de oorlog, daar draaide ons leven toen om. Op school werden alle kinderen gewogen en gemeten: de ergst ondervoeden zouden bijvoeding krijgen. Sjaantje en ik, allebei graatmager, behoorden tot de “gelukkigen”.
Elke schooldag, driemaal in de week was dat toen, liepen we in een rij naar het Concordia-zaaltje waar de boterhammen uitgedeeld werden. Ik bofte extra: de dubbele boterhammen met jam werden in vaste, alfabetische volgorde uitgedeeld en meestal trof ik het kapje. Kapjes waren dikker dan gewone boterhammen en bovendien, vertelden we elkaar, was daar het vet ingetrokken. En vet, dat wist iedereen, daar kon een mens niet buiten!
Hoewel de boterhammen steeds kleiner en kleffer werden, met jam die steeds minder leek op wat we ons van vroeger herinnerden, betekenden ze steeds meer voor ons. Tenslotte waren ze zelfs, op de gaarkeukenprak na, het enige voedsel dat we binnenkregen.
In april werd ik ziek. Het ergste daarvan was dat ik mijn boterham dreigde mis te lopen. Toen Sjaantje me voor school kwam halen beloofde ze mijn moeder, dat ze na schooltijd mijn boterham zou aanreiken … als ze hem meekreeg tenminste
Van kwart voor negen tot kwart over twaalf lag ik met rammelende maag en koortsig gloeiend hoofd de tienduizendachthonderd seconden te tellen totdat ik de boterham in mijn handen zou krijgen. Helaas telde ik te vlug, na de laatste tel bleek het pas kwart voor twaalf te zijn. Intussen werkte mijn fantasie op volle toeren: misschien vertrouwden ze Sjaantje niet en kreeg ze de boterham niet mee! Waarom had Moe geen briefje meegegeven? Of misschien viel ze ermee in een plas, het goot! Misschien zou iemand de boterham van haar afpakken of misschien zou ze hem zelf opeten en me dan levenslang ontwijken! Of, en dat was het waarschijnlijkst: misschien zou ze mijn dikke korst zelf opeten en haar miezerige gewone boterham bij mij brengen. En bewijs dat maar! Nooit zou ik daar iets van kunnen zeggen, maar met de vriendschap was het dan natuurlijk wel uit. Zoiets gemeens!
Toen er eindelijk gebeld werd, gloeide ik over mijn hele lichaam. Na een eeuwigheid bracht mijn moeder de boterham binnen: een dikke korst!
Wat ik nu volstrekt onbegrijpelijk vind is, dat ik er na mijn herstel nooit meer met Sjaantje over gesproken heb. Ik heb haar zelfs niet bedankt! De verleiding om de boterhammen om te ruilen moet heel groot geweest zijn. Ze was even hongerig als ik. Pas achteraf maakte het voorval grote indruk op me.
Later groeiden we uit elkaar. Zij mocht naar de MULO, ik moest naar de Huishoudschool., zij kreeg een kantoorbaan, ik sleepte de jaren tot aan mijn eenentwintigste verjaardag door op een confectie-atelier. Daarna vertrok, nee, vluchtte ik naar Den Haag.
Later, ik was toen al getrouwd en woonde in Hoogvliet, hebben we elkaar nog een keer gezien, maar de oude Sjaantje en Lientje hebben we niet meer terug kunnen vinden. Zij herinnerde zich niets meer van de boterham en begreep niet waarvoor ik haar zo ontroerd bedankte. Bij mij is die compacte, kleffe korst met de twijfelachtige jam echter onverbrekelijk verbonden met de naam Sjaantje Naber.
Nog steeds, na al die jaren, eet ik alle kapjes op die mijn huisgenoten laten liggen. Niet om het vet, maar als hommage aan Sjaantje!