Kop van Zuid. De bellen hoor je al van verre. Je kan niet meer over de brug als je nu nog beneden staat. Hij gaat dicht. Of open. Dat ligt er maar aan of je landrot of schipper bent. Vooraan staat een man. Zo’n gewone man van veertig. Nog een jongensachtig gezicht. Kalend. Regenjack en spijkerbroek. Stadsfiets. Van hem lopen er duizenden rond, alleen al in deze stad.
Naast hem stopt een roze scooter. Achter hen loopt het snel vol: vijf fietsers, een invalidenwagentje. Een brommer wurmt zich zo ver mogelijk naar voren. Zijn motor blijft aan. Een weggedeelte wordt de lucht in getild, als een reusachtige vleugel. De man vooraan volgt de trage beweging omhoog; langs de tuien daalt zijn blik weer af naar het wegdek. Hij wacht gelaten op wat komen gaat. De vrouw op de scooter stapt nu gehaast af, zoekt. Ze plukt iets uit haar tas. Even later trekt ze zenuwachtig aan haar sigaret. Een slanke Marokkaanse man begint druk te telefoneren; zijn handgebaren gaan verloren in de wind. Een hardloper maakt onrustig pas op de plaats. Links komt een tweede tram aanrijden. De trambestuurders stappen uit, roken een sigaretje. Hun gelach klinkt hard: ze zijn het samen wachten op de Zwaan gewend. De gewone man vooraan kijkt stil om zich heen. Ziet lucht, water, aarde.
Een vrouw stopt schuin achter hem. Ze hijgt want ze heeft net twee kinderen die brug opgesleurd. Eén achterop in een zitje en een groter kind op zo’n aanhangfiets. “Ha, papa,” roept het oudste meisje. Verrast kijkt de gewone man vooraan om, ziet de moeder, lacht naar zijn kinderen. “Hé, hallo,” roept hij, maar het gaat wat ongemakkelijk. Hij moet over de brommer en de gesprekken heen schreeuwen. Bovendien valt hij op omdat hij zich zo ongelukkig om moet draaien. De enige met wie hij met goed fatsoen zou kunnen praten is de moeder. Die pakt net twee jasjes uit haar fietstassen, want het begint te miezeren. Ze helpt haar jongste dochter in de jas, doet bij de oudste ondanks de protesten de rits dicht. De gewone man vooraan stelt zijn blik in op een meeuw die boven zijn hoofd krijst als een kat.
Het meisje achterop steekt haar duim in de mond en legt haar hoofd op het zadel van haar moeders fiets. De hardloper gaat net iets te dicht bij haar staan en staart de schone slaapster aan. Zijn hoofd beweegt op en neer als dat van een Chinese pop. Als je een tikje tegen de porseleinen kop geeft, blijft hij maar doorknikken. Zijn knieën bewegen op hetzelfde ritme mee. De moeder kijkt weg. Dan wijst ze de meisjes op de driemaster die net voorbij de brug is gegleden.
Als het weggedeelte weer op zijn plek ligt, komen de bomen omhoog. Peuken worden weggegooid, gesprekken afgebroken. Behoedzaam stapt de gewone man vooraan weer op en fietst weg. Met deze drukte is het te gevaarlijk om achterom te kijken.
Zijn kinderen zijn afscheid nemen van hun eens-in-de-veertien-dagenpapa wel gewend. Hij is bijna een gewone meneer.