Het begon gewoon, zoals elke vakantie. Afspraken met de kennissen die samen met ons deze reis zouden maken. Bespreken en ongeduldig toeleven naar de vertrekdatum. Oppas regelen voor de katten, weerberichten volgen. De drukke dagen voor ons vertrek: kleinkinderen, koffers opzoeken, inpakken … en tenslotte wegwezen! Eindelijk!
Vriendin J en ik voelen ons altijd al helemaal met vakantie als we, koffers op een karretje, eenmaal de drempel van Schiphol over zijn. Dan begint onze pret, ongeacht het vroege uur en het lange wachten bij de incheckbalie. Wij zijn op weg! Toch voelt het vanaf nu anders.We liepen daar, niets aan de hand. De bagage moest door sluisjes, wij door poortjes. Eerst J & N, daarna wij. Mijn neus kriebelde en ik groef in de linkerzak van mijn oude, witte jackje naar een zakdoek. Niets. Wel een gat. Verdorie! Ik ergerde me aan mezelf: was ik nu nog niet oud en wijs genoeg om voor het vertrek mijn kleding na te kijken, zodat ik die zak had kunnen repareren? Zou er iets doorheen gevallen zijn? Geld, een sleutel, wat dan ook?Mijn neus bleef kriebelen en nijdig groef ik dieper.
Opeens werd ik hardhandig uit de rij getrokken. “U hebt uw handen in uw zak! Hier komen, ik moet u fouilleren!” Het was een vrouw in uniform met blond, strak achterover getrokken haar, bleke ogen en een minachtende trek om de mond. Suffig bedacht ik (het was nog erg vroeg) dat het natuurlijk heel onbeleefd was: lopen met je handen in je zak Dat werd me als kind al verboden; soms naaide mijn moeder mijn zakken een poosje dicht. Verontschuldigend keek ik de vrouw aan en zei: “Sorry, er zit een gat in mijn zak en …”maar ze keek me zo ijzig aan dat de woorden in mijn mond bevroren.
“Hier komen!” snauwde ze en trok me nog verder opzij. Met priemende vingers, daarna met een soort strijkijzertje ging ze over mijn armen, rug, borst en benen. “Kietel niet zo!” protesteerde ik, maar mijn stem deed het niet goed.. Even later duwde ze me terug in de rij, naast mijn man die, nog slaperiger dan ik, niet-begrijpend had staan toekijken. “Ik móét dit doen!” snauwde ze met afgewende blik. Haar mannelijke collega stond erbij alsof hij blind, doof en stom was.
Verdwaasd liep ik verder, naar J & N, die niets gemerkt hadden. “Nou ja”, was hun reactie op mijn verslag, “Na 11 september moet dit wel!” En zo reageert iedereen. Is dat zo? Overdreef ik? Nee, het was niet om het fouilleren (maar een week later liep ik nog met blauwe plekken op mijn armen) maar om de onbeschofte benadering. Niet: “Mevrouw, wilt u …”Niet: “Neemt u mij niet kwalijk, maar, …”En waarom mij? Zie ik er uit als een zielig wijfje dat zich door een misdadige engerd iets in kleding, tas of koffer laat frommelen, al dan niet onder bedreiging? Of, en daar lijkt het meer op, hangt er boven mijn hoofd een tekstballon met: BELEEFDE BEHANDELING OVERBODIG! of VERDIENT GEEN RESPECT?
Op de heenreis zat ik naast een meisje met donker krulhaar en grote, schuwe ogen in een bleek weggetrokken gezicht. Onderweg weigerde ze eten en drinken. Ze trok de vreemd-gevormde capuchon van haar zwarte T –shirt over haar hoofd en sliep de hele reis. Ik vond het maar een verdacht typetje. Bolletjes slikster misschien? Maar ja, een kledingstuk zonder zakken: onschuldiger kon het toch niet!
Categorie: fouilleren, vakantie, vliegveld