Archief voor september 2008

Vakantie

20 september 2008

De zomervakantie was voorbij en Juf de Vries van de vierde klas had een pestbui. Ze dreigde:”Vanaf nu gaat alles anders!” De klas moest een opstel maken over de vakantie. Lientje schrok. Dat kon ze vast niet! Nog nooit had ze een opstel gemaakt. Haar vriendin Sjaantje wel: die ging bij een Remonstrantse mevrouw-dominee op catechisatie, had van haar een schrift mee naar huis gekregen en moest elke week een opstel maken over een Bijbel-verhaal. Gemeen, zij had kunnen oefenen!
Lientje had niets meegemaakt en je mocht vast geen opstel over niets schrijven. In haar schrik vergat ze het zwembad, de lessen in crawlen, popduiken en startduik van badmeester Kalternecker. Ze vergat de pakken slaag van Moe en het spelen in de tent bij Saartje en Nannie, de kilometerslange wandelingen met haar nichtjes en de korte bezoekjes (ze waren op de fiets en moesten het hele eind nog terug) van haar aardige ooms uit Zevenhoven en Aalsmeer .Hoe kon je daar een verhaaltje van maken? Dat telde niet.
Andere kinderen waren met hun ouders naar een grote speeltuin geweest, sommigen hadden gelogeerd bij lieve tantes of hadden met hun ouders allerlei spannende dingen gedaan. Gemeen hoor, die kregen vast een hoog cijfer! Wacht maar. Zij, Lientje, kon ook gemeen zijn! Ze dacht even na en schreef, in zichzelf lachend, totdat de bel ging.
De volgende dag kregen ze de blaadjes terug, allemaal behalve Lientje. Ze zag de juf met haar blaadje in haar hand voor de klas staan , ze herkende de inktvlek onderaan. Stommeling dat ze was: een gelogen opstel maken, dat was vast heel erg, ze zou wel straf krijgen!. Maar wat deed de juf? Ze vertelde dat er één meisje was dat een opstel geschreven had waarom zij, Juf de Vries, heel hard gelachen had.
Meteen begon ze voor te lezen: over een logeerpartij bij Tante Riek en het spelen met neefjes, nichtjes en buurkinderen.
Haar kleinste neefje Jantje was gevallen en hij huilde. Lientje rende naar Tante Riek, die de straat aan het schrobben was. “Tante Riek! Jantje is in de sloot gevallen en hij huilt zo!” Tante nam haar bezem mee, een buurvrouw was met de ramen bezig en had een ragebol bij de hand. Een andere buurvrouw pakte vlug een hark en met z’n drieën holden ze achter Lientje aan.
Maar wat zagen ze? Met krijt waren er twee strepen over het trottoir getrokken en dat was de sloot. Jantje zat tussen de strepen te huilen. “Stel je niet aan!”zei Tante Riek, maar eigenlijk was ze erg opgelucht . De buurvrouw met de hark ging koffie zetten en limonade inschenken voor alle kinderen die meegelopen waren. Daarna kregen ze nog een babbelaar … en gingen weer spelen.
“Wat een leuke vakantie heb jij gehad” lachte de juf. “En zo goed opgeschreven!” Lientje voelde zich vuurrood worden. Leugenaar! dacht ze. Dit was nu echt valsspelen. Wat schaamde ze zich!
Het duurde nog heel lang voordat ze te weten kwam dat een bekend schrijver gezegd had: “Schrijvers liegen de waarheid.”

Veilig oversteken

13 september 2008

U houdt toch wel de trapleuning vast als u naar boven gaat? En drinkt u de koffie niet te heet? We willen niet dat u uw mond brandt.

Mijn vriendin Valerie werkt bij een grote oliemaatschappij. Op boorplatforms en raffinaderijen liggen de gevaren overal op de loer. Daarom is het niet verwonderlijk dat er uitgebreide veiligheidsinstructies zijn. Je wilt immers niet dat medewerkers giftige chemicaliën inademen, of verdrinken op een boorplatform.

De werkzaamheden van mijn vriendin zijn beduidend minder riskant. Zij werkt op een kantoor. Maar wie denkt dat zo’n kantoor zonder gevaren is komt bedrogen uit.

Haar eerste twee werkdagen bestonden uit een uitgebreide veiligheidstraining, waarin ze leerde dat je de trapleuning moet vasthouden. Want wat blijkt? Niet iedereen heeft dat thuis van zijn ouders geleerd. Onverantwoord. Die ouders zouden meteen uit hun ouderlijk gezag ontheven moeten worden. Ook leerde ze dat je niet alleen verantwoordelijk bent voor je eigen veiligheid, maar ook voor de veiligheid van anderen. Wanneer je ziet dat een collega de trapleuning niet vasthoudt, dan spreek je die persoon belerend toe.

Twee maanden later was de vervolgcursus. Collega’s hadden thuis verteld hoe belangrijk het was de trapleuning vast te houden. Hun partners en schoonmoeders waren enorm dankbaar geweest. Na afloop kreeg alle deelnemers een mooi t-shirt met het opschrift: “I always hold the hand rail, it’s so much safer”.

Na vier maanden was het tijd voor een nieuwe cursus. Voor de ingang van het kantoor ligt een drukke verkeersweg. Veel werknemers van het bedrijf staken over bij het zebrapad, en niet bij het verkeerslicht dat 800 meter verderop lag. Een onaanvaardbaar risico. De hoogste tijd dus voor een training “de weg oversteken”.

Het bedrijf in kwestie beheert een groot aantal benzinepompen. Laatst kocht ik daar een kopje koffie. De pompbediende waarschuwde mij niet eens dat het heet was. Mijn verontwaardiging was groot. Ik had wel een blaasje op mijn tong kunnen krijgen.

Toch wil ik het bedrijf een tweede kans geven. Ik stel voor dat we een uitgebreide consumententest doen. Doet u mee? De volgende keer dat u tankt, vraagt u even aan de pompbediende om instructies om de weg over te steken. Ik ben benieuwd naar de resultaten.

Vies

8 september 2008

Nog aan vieze dingen gedacht vandaag? De haren in het verstopte afvoerputje thuis? De zooi die u aantreft achter het oude kopieerapparaat in het magazijn op uw werk?
Goklustig ben ik niet, maar ik wed dat u vieze dingen ook vaak aanraakt met uw blote vingers. Ik bedoel niet wat smerige sokken of koude automatenkoffie, maar dingen waar uw neus echt van gaat krullen. Dingen die u voor geen goud aan zou willen raken. En toch deed u dat. Thuis. Op uw werk. En de directrice die u een hand gaf op de school van uw kinderen heeft die vieze dingen ook aangeraakt.

Toiletrolletjes.
U geeft uw kinderen de lege toch niet mee naar school, hoop ik. So disgusting.

Vorige week was er een leerzame cursusmiddag over ‘Engels op de basisschool’. Een tiental Britten, een enkele Amerikaan en een handvol Nederlanders met een flinke tik voor Engels. Wat doen we na het lezen van het beroemde boek van Eric Carle genaamd Rupsje Nooitgenoeg? Met eierdoosjes de rups knutselen? “Impossible! What about salmonella! There were raw eggs in those boxes”!
En dan die toiletrollen die je overal ziet op Nederlandse basisscholen! Sophie, een perfect gecoiffeerde Britse dame, ging bijna over haar nek: “You see them everywhere. And you never know whose fingers touched them.” Waarop Pat aanvulde dat je op een aantal Britse scholen geen toiletrollen mag gebruiken bij handvaardigheid: “Tissue paper rolls are the only ones allowed.” De Britten knikten: die Hollanders hadden een flinke tik van de molen gehad als ze gewoon met die vieze toiletrollen knutselden. Ons gelach getuigde niet van de spreekwoordelijke Nederlandse tolerantie.

Een scheiding zo groot als het Engelse Kanaal doemde op in de groep. “Wat als je de Engelstalige variant van ‘Komt een muisje aangelopen, stilletjes in zijn nekje gekropen …’ zingt?” vroeg Ellen, een op en top Britse leerkracht. De Nederlandse leerkrachten vroegen zich inderdaad af wat daar mee was. Wij begrepen de vraag niet. Ellen vervolgde: “Dan loop je met je hand over de arm van zo’n kind en kietel je hem of haar in de nek. I wouldn’t do it nowadays”. De Nederlanders keken elkaar vragend aan: “Waarom niet?”
Al snel ging het over bloot, zonder dat het woord ook maar eenmaal genoemd werd natuurlijk. En bloot betekent automatisch wantrouwen, misbruik, pedofilie.
Kinderen vragen hun schoenen en sokken uit te trekken om een versje over wiebelende tenen te zingen? No way. Wij lachten die malle Britten uit. Het lachen ging over in gehoon toen Jessica zei dat als een Britse 4-jarige kleuter in zijn broek had geplast, veel juffen in Groot-Brittannië er niet over zouden piekeren om hem te helpen met verschonen en omkleden. Arm kind.
En arme Britten: nog steeds Victoriaans bang voor vuiligheid zoals bacteriën en bloot.
En arme Hollanders: ze willen zo graag tolerant zijn, maar het lukt ze maar niet. De horken.

Ontheemd in Arcadia

2 september 2008

Ze was een kind in Alphen a/d Rijn
en vroeg zich af, waarom ze daar niet paste;
vervreemd van ’t huis waar Pa de piepers jaste
en waar Moe zong van hart en smart en pijn.

Er was de slootkant, waar het rook naar wier,
naar kroos en modder en naar traag bederven.
De zon scheen goud en gul op boerenerven,
op ruige rupsen in de populier.

De dovenetelbloempjes smaken zoet,
het pijpkruid bloeit met crèmig-kanten schermen.
Wat geurt en kleurt er veel in Alphens bermen!
Maar paardebloemen vlekken op je goed.

De pollen madeliefjes staan verspreid
tussen de klaver: rode, gele, witte
en lepeldiefjes, kruipertjes en klitten
en kweekgras, dat in blote voeten snijdt.

Een vleermuis repte zich rits’lend door de poort,
Van ver klinkt schor gekraai van jonge haantjes,
‘t Is zaterdag, ze eten brood met kaantjes
en ’s zondags is er draadjesvlees, dat hoort!

De regels zijn zo streng, daar aan de Rijn:
Fatsoen regeert en twijfelen is zondig,
je mag er niet te schuw zijn of te mondig .
Wat leuk is, moet wel heel lichtzinnig zijn!

Op ’t uitschuifbankje achterin de kerk
verstaat ze wat de hoedjesdames sissen:
“Die hoort hier niet, die kunnen we best missen!”
Ze is een dovenetel in Gods perk.

Eens zou ze weggaan, wacht maar! en misschien
in staat zijn al haar raadsels op te lossen.
Vervallen tempels, baaien, bergen, bossen
en zelfs, misschien, een echte palmboom zien!

Op een doorzonde zaterdag in mei
deed ’t beeld van blijven haar de adem stokken.
Bij ’t laatste daglicht is ze toen vertrokken:
Ontketend, wat bedroefd, maar vrij. Ja, vrij?

Nu ze toch wijs genoeg zou moeten zijn
weifelt haar geest nog tussen traan en tover
en die haar kennen, fluist’ren: “’t Gaat nooit over:
Ze was een kind in Alphen a/d Rijn!”