Ontheemd in Arcadia

By Caroline

Ze was een kind in Alphen a/d Rijn
en vroeg zich af, waarom ze daar niet paste;
vervreemd van ’t huis waar Pa de piepers jaste
en waar Moe zong van hart en smart en pijn.

Er was de slootkant, waar het rook naar wier,
naar kroos en modder en naar traag bederven.
De zon scheen goud en gul op boerenerven,
op ruige rupsen in de populier.

De dovenetelbloempjes smaken zoet,
het pijpkruid bloeit met crèmig-kanten schermen.
Wat geurt en kleurt er veel in Alphens bermen!
Maar paardebloemen vlekken op je goed.

De pollen madeliefjes staan verspreid
tussen de klaver: rode, gele, witte
en lepeldiefjes, kruipertjes en klitten
en kweekgras, dat in blote voeten snijdt.

Een vleermuis repte zich rits’lend door de poort,
Van ver klinkt schor gekraai van jonge haantjes,
‘t Is zaterdag, ze eten brood met kaantjes
en ’s zondags is er draadjesvlees, dat hoort!

De regels zijn zo streng, daar aan de Rijn:
Fatsoen regeert en twijfelen is zondig,
je mag er niet te schuw zijn of te mondig .
Wat leuk is, moet wel heel lichtzinnig zijn!

Op ’t uitschuifbankje achterin de kerk
verstaat ze wat de hoedjesdames sissen:
“Die hoort hier niet, die kunnen we best missen!”
Ze is een dovenetel in Gods perk.

Eens zou ze weggaan, wacht maar! en misschien
in staat zijn al haar raadsels op te lossen.
Vervallen tempels, baaien, bergen, bossen
en zelfs, misschien, een echte palmboom zien!

Op een doorzonde zaterdag in mei
deed ’t beeld van blijven haar de adem stokken.
Bij ’t laatste daglicht is ze toen vertrokken:
Ontketend, wat bedroefd, maar vrij. Ja, vrij?

Nu ze toch wijs genoeg zou moeten zijn
weifelt haar geest nog tussen traan en tover
en die haar kennen, fluist’ren: “’t Gaat nooit over:
Ze was een kind in Alphen a/d Rijn!”

Reageer