De zomervakantie was voorbij en Juf de Vries van de vierde klas had een pestbui. Ze dreigde:”Vanaf nu gaat alles anders!” De klas moest een opstel maken over de vakantie. Lientje schrok. Dat kon ze vast niet! Nog nooit had ze een opstel gemaakt. Haar vriendin Sjaantje wel: die ging bij een Remonstrantse mevrouw-dominee op catechisatie, had van haar een schrift mee naar huis gekregen en moest elke week een opstel maken over een Bijbel-verhaal. Gemeen, zij had kunnen oefenen!
Lientje had niets meegemaakt en je mocht vast geen opstel over niets schrijven. In haar schrik vergat ze het zwembad, de lessen in crawlen, popduiken en startduik van badmeester Kalternecker. Ze vergat de pakken slaag van Moe en het spelen in de tent bij Saartje en Nannie, de kilometerslange wandelingen met haar nichtjes en de korte bezoekjes (ze waren op de fiets en moesten het hele eind nog terug) van haar aardige ooms uit Zevenhoven en Aalsmeer .Hoe kon je daar een verhaaltje van maken? Dat telde niet.
Andere kinderen waren met hun ouders naar een grote speeltuin geweest, sommigen hadden gelogeerd bij lieve tantes of hadden met hun ouders allerlei spannende dingen gedaan. Gemeen hoor, die kregen vast een hoog cijfer! Wacht maar. Zij, Lientje, kon ook gemeen zijn! Ze dacht even na en schreef, in zichzelf lachend, totdat de bel ging.
De volgende dag kregen ze de blaadjes terug, allemaal behalve Lientje. Ze zag de juf met haar blaadje in haar hand voor de klas staan , ze herkende de inktvlek onderaan. Stommeling dat ze was: een gelogen opstel maken, dat was vast heel erg, ze zou wel straf krijgen!. Maar wat deed de juf? Ze vertelde dat er één meisje was dat een opstel geschreven had waarom zij, Juf de Vries, heel hard gelachen had.
Meteen begon ze voor te lezen: over een logeerpartij bij Tante Riek en het spelen met neefjes, nichtjes en buurkinderen.
Haar kleinste neefje Jantje was gevallen en hij huilde. Lientje rende naar Tante Riek, die de straat aan het schrobben was. “Tante Riek! Jantje is in de sloot gevallen en hij huilt zo!” Tante nam haar bezem mee, een buurvrouw was met de ramen bezig en had een ragebol bij de hand. Een andere buurvrouw pakte vlug een hark en met z’n drieën holden ze achter Lientje aan.
Maar wat zagen ze? Met krijt waren er twee strepen over het trottoir getrokken en dat was de sloot. Jantje zat tussen de strepen te huilen. “Stel je niet aan!”zei Tante Riek, maar eigenlijk was ze erg opgelucht . De buurvrouw met de hark ging koffie zetten en limonade inschenken voor alle kinderen die meegelopen waren. Daarna kregen ze nog een babbelaar … en gingen weer spelen.
“Wat een leuke vakantie heb jij gehad” lachte de juf. “En zo goed opgeschreven!” Lientje voelde zich vuurrood worden. Leugenaar! dacht ze. Dit was nu echt valsspelen. Wat schaamde ze zich!
Het duurde nog heel lang voordat ze te weten kwam dat een bekend schrijver gezegd had: “Schrijvers liegen de waarheid.”